Anatomie helder uitgelegd

Anatomische woorden en productbegrippen duidelijk uitgelegd

Gebruik Nederlandse uitleg naast vaktermen. Deze begrippen helpen bij het lezen van productpagina’s, labels en fabrikantdocumentatie.

Aanwijslabel
Een tekst met een lijn naar de bedoelde structuur. De lijn hoort bij het label en is geen zenuw of bloedvat.
Accessoire
Een aanvullende component waarvan de bedoelde serie en compatibiliteit apart moeten worden bevestigd.
Acetabulum — heupkom
De komvormige gewrichtsuitsparing in het heupbeen.
Acromion — schouderdak
Een uitsteeksel van het schouderblad boven het schoudergewricht.
Acupunctuurpunt
Een benoemde en gecodeerde locatie volgens een acupunctuurreferentie.
Alveoli — longblaasjes
Kleine luchtruimtes waar zuurstof en koolstofdioxide worden uitgewisseld met het bloed.
Alvleesklier
Een orgaan met zowel een hormoonproducerend gedeelte als een gedeelte voor spijsverteringsenzymen.
Amnion — vruchtvlies
Het binnenste vlies rondom de vruchtwaterholte.
Anatomie
De beschrijving van de bouw van het lichaam. Een anatomische afbeelding kan een overzicht of een uitvergroting van één regio zijn.
Anatomisch oriëntatiepunt
Een zichtbare of voelbare plaats die helpt om het oefengebied op het model te begrijpen.
Anatomische oriëntatiepunten
Herkenbare vormen op de pop die de instructeur bij uitleg kan betrekken.
Aorta — grote lichaamsslagader
Het grote vat dat bloed uit de linkerkamer naar het lichaam voert.
Aponeurosis plantaris — peesplaat
Stevig bindweefsel aan de voetzoolzijde.
Arcus vertebrae — wervelboog
Het achterste benige deel dat samen met het wervellichaam het wervelgat begrenst.
Arteriae coronariae — kransslagaders
Slagaders die de hartspier van bloed voorzien.
Artikelcode
De exacte aanduiding waarmee merk, uitvoering en passend onderdeel moeten worden gecontroleerd.
Atlas
Een uitgave waarin anatomische afbeeldingen en herkenning centraal staan; opzet en detail verschillen per titel.
Atrium — boezem
Een van de twee ontvangende ruimtes boven de hartkamers.
Auricula — oorschelp
Het zichtbare buitenste gedeelte van het oor.
Auscultatie
Luisteren naar lichaamsgeluiden; een simulator kan een beschreven selectie aan geluiden aanbieden.
Axillaire lymfeknopen
Lymfeknopen in het okselgebied.
Baarmoeder of uterus
Het orgaan waarin een zwangerschap zich ontwikkelt; de doorsnede en fase zijn productspecifiek.
Baby-, kinder- of volwassenuitvoering
De weergegeven leeftijdsgroep met een eigen grootte en bedoelde lescontext.
Beeldvorming
Een weergave via geschikte apparatuur; een gewoon kunststofmodel is niet automatisch een bruikbaar echografiefantoom.
Begeleid gesprek
De toelichting die betekenis geeft aan het model en ruimte laat voor vragen.
Bekken
De benige ruimte waarvan een model de vorm en de verhoudingen kan laten zien.
Bekkenbodem
Spieren en bindweefsel aan de onderzijde van het bekken.
Benig geboortekanaal
De benige doorgang door het bekken die in onderwijs over geboorte wordt onderscheiden.
Bijnieren
Hormoonproducerende klieren boven de nieren.
Bindweefsel
Weefsel met cellen en tussenmateriaal dat onder meer steun en verbinding biedt.
Bladdoorsnede
Een weergave van de opbouw binnen een blad, vaak sterk vergroot.
Bloem
Het voortplantingsorgaan van een bloeiende plant, met soortafhankelijke onderdelen.
Borstkas
Het gebied waarop de trainer de bedoelde oefenfuncties voor borstcompressies nabootst.
Bronchi — bronchiën
De grotere vertakkingen die lucht de longen in leiden.
Bronchioli — bronchiolen
De kleinere luchtwegvertakkingen binnen de longen.
Broncontrole
Het nagaan waarop een concrete vermelding is gebaseerd en of de informatie actueel is.
Buig- en strekpezen
Pezen die spierkracht overbrengen voor het buigen en strekken van vingers en pols.
Buikholte
Een ruimte in de romp waarin verschillende buikorganen liggen.
Bureauartikel
Een bruikbaar voorwerp met een anatomisch of beroepsgerelateerd thema.
Calcaneus — hielbeen
Het grote bot dat de benige basis van de hiel vormt.
Capsula articularis — gewrichtskapsel
De omhulling van een synoviaal gewricht.
Caput femoris — dijbeenkop
Het ronde uiteinde van het dijbeen dat in de heupkom ligt.
Caput humeri — bovenarmkop
Het ronde bovenste gewrichtsdeel van het opperarmbeen.
Cartilago articularis — gewrichtskraakbeen
Kraakbeen dat de gewrichtsvlakken van een synoviaal gewricht bedekt.
Cavitas glenoidalis — schouderkom
Het gewrichtsvlak op het schouderblad voor de bovenarmkop.
Celmembraan
De begrenzing van de cel die onder meer de uitwisseling met de omgeving regelt.
Cerebellum — kleine hersenen
Hersenonderdeel aan de achteronderzijde van de schedelholte.
Cerebrum — grote hersenen
Het grootste gedeelte van de hersenen, verdeeld in twee hersenhelften.
Cervix uteri — baarmoederhals
Het onderste, smallere deel van de baarmoeder.
Clavicula — sleutelbeen
Het bot tussen borstbeen en schouderblad.
Cochlea — slakkenhuis
Het spiraalvormige deel van het binnenoor dat betrokken is bij het gehoor.
Collaterale banden
Gewrichtsbanden aan de binnen- en buitenzijde van de knie.
Collum femoris — dijbeenhals
De verbinding tussen dijbeenkop en het lange gedeelte van het dijbeen.
Colon — karteldarm
Het grootste gedeelte van de dikke darm.
Columna vertebralis — wervelkolom
De opeenvolging van wervels en het heiligbeen en staartbeen in de lichaamsas.
Compatibiliteit
De bevestigde geschiktheid voor een specifieke uitvoering; gelijkenis is onvoldoende.
Compressiefeedback
Terugkoppeling over één of meer gemeten kenmerken van de oefening; de mogelijkheden verschillen per uitvoering.
Cornea — hoornvlies
De doorzichtige voorzijde van de oogwand.
Corona dentis — tandkroon
Het gedeelte van de tand dat boven de tandhals ligt.
Corpus callosum — hersenbalk
Een grote bundel zenuwvezels tussen de beide hersenhelften.
Corpus vertebrae — wervellichaam
Het stevige voorste gedeelte van een wervel.
Corpus vitreum — glasachtig lichaam
De gelachtige vulling van de grote ruimte achter de lens.
Corpusculum lamellosum — lichaampje van Pacini
Een kapselvormige zintuigstructuur die onder meer drukveranderingen en trillingen registreert.
Cortex cerebri — hersenschors
De buitenste laag van de grote hersenen.
Cortex renalis — nierschors
Het buitenste gebied van het nierweefsel.
Cranium — schedel
Botconstructie van het hoofd, met een hersengedeelte en een aangezichtsgedeelte.
Cup
Het afzonderlijke komvormige product; materiaal en maat verschillen per uitvoering.
Cytoplasma
Het celgebied buiten de kern, met de celvloeistof en verschillende celonderdelen.
Decoratieve voorstelling
Een afbeelding of object voor presentatie, zonder automatische trainingsfunctie.
Demonstratie
Een klassikale toelichting of proef die andere eisen kan stellen dan een individueel practicum.
Dentinum — dentine
Het tandbeen dat een groot deel van de tand vormt.
Dermis — lederhuid
De bindweefsellaag onder de opperhuid met onder meer vaten en zenuwen.
Detailvenster
Een apart vergroot onderdeel binnen een poster. Dit kan een andere schaal of kijkrichting gebruiken dan het hoofdbeeld.
Diaphragma — middenrif
De spierplaat tussen borstholte en buikholte.
Didactiek
De manier waarop u leerstof uitlegt en laat oefenen, afgestemd op het kennisniveau van de ontvanger.
Didactisch model
Een vereenvoudigde weergave die geselecteerde kenmerken benadrukt om een begrip te leren.
Didactische vereenvoudiging
Een bewuste beperking van details om een boodschap begrijpelijk te maken.
Discus intervertebralis
De tussenwervelschijf tussen aangrenzende wervellichamen.
Distaal
Verder van de romp of van het begin van een beschreven structuur.
Doelcel
Een cel die op een passend hormonaal signaal kan reageren.
Doelgroep
De mensen voor wie de uitleg is bedoeld, met eigen taalniveau en voorkennis.
Doorsnede
Een gekozen snijvlak dat binnenliggende structuren zichtbaar maakt.
Dorsaal
Aan de rugzijde of achterzijde; de precieze betekenis hangt af van de beschreven regio.
Drukschade of decubitus
Een onderwijsmodel kan bepaalde kenmerken tonen; een echte wond vraagt professionele beoordeling.
Ductus thoracicus — borstbuis
Een grote lymfeafvoerbaan die op de veneuze bloedbaan aansluit.
Duodenum — twaalfvingerige darm
Het eerste deel van de dunne darm, direct na de maag.
Editie
De concrete uitgave van een boek; controleer editie en ISBN om verschillende uitvoeringen te onderscheiden.
Enamelum — glazuur
De harde buitenlaag van de tandkroon.
Endocriene klier
Een klier die hormonen aan het bloed afgeeft.
Endoplasmatisch reticulum
Een membraansysteem binnen de cel, betrokken bij onder meer de aanmaak en verwerking van stoffen.
Epidermis — opperhuid
De buitenste, uit meerdere cellagen opgebouwde huidlaag.
Epitheel
Weefsel dat oppervlakken bekleedt en onder meer in klieren voorkomt.
Facies articularis — gewrichtsvlak
Het contactgebied van een bot binnen een gewricht.
Fantoom
Een kunstmatig oefenobject dat een bepaalde lichaamsstructuur of materiaaleigenschap nabootst.
Fascia — bindweefselvlies
Bindweefsel dat onder meer spieren omgeeft en spiergroepen van elkaar scheidt.
Feedbackfunctie
Een aanwijzing van de simulator, bijvoorbeeld zichtbaar bewegen of een signaal; de soort terugkoppeling is afhankelijk van het model.
Femur — dijbeen
Het lange bot tussen heup en knie.
Flexie en extensie
Buigen en strekken, beschreven vanuit de betreffende anatomische uitgangsstand.
Foetus
Het ontwikkelende kind na de embryonale periode.
Foramen intervertebrale
Opening tussen aangrenzende wervels waar onder meer een ruggenmergzenuw passeert.
Foramen magnum
De grote opening in het achterhoofdsbeen aan de schedelbasis.
Frontale doorsnede
Een doorsnede die een voorste en achterste deel onderscheidt.
Funiculus umbilicalis — navelstreng
De verbinding met bloedvaten tussen foetus en placenta.
Fysiologie
De werking van lichaamsstructuren. Een poster die namen laat zien, legt niet automatisch hun werking volledig uit.
Gaster — maag
Het verwijde deel van het spijsverteringskanaal tussen slokdarm en dunne darm.
Gewricht
Een verbinding tussen botten; de vorm en mogelijke beweging zijn afhankelijk van soort en uitvoering.
Gewrichten
Verbindingen die een bepaalde beweging of houding kunnen ondersteunen, binnen de grenzen van de handleiding.
Gewrichtskapsel
De bindweefselomhulling rond het heupgewricht.
Gewrichtsvlak
Het deel van een bot dat in een gewricht tegenover een ander bot ligt.
Gingiva — tandvlees
Het weefsel dat de kaakranden rond de tanden bekleedt.
Gluteale spieren
Spieren van de bilregio die onder meer het bekken en bovenbeen verbinden.
Golgi-apparaat
Een organel dat onder meer eiwitten en vetmoleculen verwerkt en verpakt.
Gramgewicht
De massa van papier per vierkante meter. Dit is geen maat voor het detailniveau van de tekening.
Haarfollikel
De huidstructuur waarin een haar is gevormd en verankerd.
Halfcirkelvormige kanalen
Onderdelen van het binnenoor die tot het evenwichtsapparaat behoren.
Hartkleppen
Kleppen op de doorgangen tussen bepaalde hartruimtes en grote uitstroomvaten.
Hechtpad
Vervangbaar of vast oefenweefsel dat uitsluitend voor de opgegeven taken wordt gebruikt.
Hepar — lever
Een orgaan in de bovenbuik dat onder meer gal vormt.
Hersenstam
Het gebied dat de grote hersenen met onder meer het ruggenmerg verbindt.
Hoofdartikel
Het model, de simulator of het systeem waarvoor een accessoire is bedoeld.
Hormoon
Een chemisch signaal dat de activiteit van doelcellen kan beïnvloeden.
Houder of standaard
Een ondersteuning voor een artikel; pasvorm en belastbaarheid zijn productspecifiek.
Huid rond de stoma
Het omliggende huidgebied dat bij demonstratie van passend materiaal belangrijk kan zijn.
Huidlaag
De buitenste laag van het nagebootste weefsel; materiaal en herstel na oefengebruik verschillen per product.
Huidlagen
De nagebootste opbouw van het oefenmateriaal; niet iedere pad heeft afzonderlijke lagen.
Humerus — opperarmbeen
Het lange bot in de bovenarm.
Hypofyse
Een kleine klier bij de basis van de hersenen die verschillende hormonale processen helpt regelen.
Inguinale lymfeknopen
Lymfeknopen in het liesgebied.
Intestinum tenue — dunne darm
Het darmgedeelte waar veel vertering en opname van voedingsstoffen plaatsvindt.
Iris — regenboogvlies
Het gekleurde deel rondom de pupil.
Keelholte
Het gebied achter mond en neus waar luchtweg en voedselweg dicht bij elkaar liggen.
Kunstmatig vat
Een onderdeel dat een bloedvat voorstelt; niet iedere oefenarm bevat een vloeistofdragend vaatstelsel.
Labrum acetabulare
Een ring van vezelig kraakbeen langs de rand van de heupkom.
Labrum glenoidale
Een ring van vezelig kraakbeen langs de rand van de schouderkom.
Laminering
Een beschermende folieafwerking. Aanvullende eigenschappen zoals beschrijfbaarheid volgen niet automatisch uit deze term.
Larynx — strottenhoofd
Het luchtwegdeel tussen keelholte en luchtpijp, met onder meer de stemplooien.
Lateraal
Meer naar de zijkant van het lichaam gelegen.
Latijnse terminologie
De vaktermen waarmee anatomische structuren over taalgrenzen heen worden benoemd.
Ledematen
Armen en benen; de bewegelijkheid en belastbaarheid worden door het gekozen model bepaald.
Leerboek
Een uitgave met doorlopende toelichting op begrippen en samenhang.
Leermiddel
Een artikel met beschreven inhoud voor uitleg of studie; die functie volgt niet alleen uit een anatomisch uiterlijk.
Leesafstand
De afstand tussen de kijker en de gedrukte labels bij werkelijk gebruik.
Legenda
De uitleg van kleuren, nummers, lijnen of symbolen die de illustrator gebruikt.
Lens — ooglens
De doorzichtige structuur achter de iris die bijdraagt aan de breking van licht.
Lichaamsrichting
Een term zoals voorzijde, achterzijde, links of rechts die de oriëntatie verduidelijkt.
Ligamentum anulare radii
Ringvormige band rondom de kop van het spaakbeen.
Ligamentum — gewrichtsband
Een stevige bindweefselverbinding die botten met elkaar verbindt.
Ligamentum patellae — patellaband
De stevige verbinding van knieschijf naar scheenbeen.
Longcirculatie
De route van rechterkamer via de longen naar de linkerboezem.
Losneembaar onderdeel
Een deel dat volgens de beschreven modelopbouw kan worden weggenomen om andere delen te bekijken.
Luchtpijp of trachea
De buis die lucht naar de vertakkingen richting de longen voert.
Luchtweg en longzak
Onderdelen voor de beademingsfunctie als het gekozen model deze functie ondersteunt.
Lymfe
Vocht dat vanuit weefsels door het lymfevaatstelsel wordt vervoerd.
Lymfeknoop — nodus lymphoideus
Een kleine structuur in het lymfenetwerk die betrokken is bij filtering en afweer.
Lymfevat
Een vat dat lymfe door het lymfestelsel transporteert.
Maat
De afmeting die bij de betreffende cup of set is vastgelegd.
Malleus, incus en stapes
Hamer, aambeeld en stijgbeugel: de drie gehoorbeentjes van het middenoor.
Mandibula — onderkaak
Het beweegbare kaakbot dat met de schedel articuleert.
Materiaal
De vermelde drager, bijvoorbeeld glas, kunststof of een elastisch materiaal.
Maxilla — bovenkaak
Een van de gepaarde botten in het midden van het aangezicht.
Meatus acusticus externus — gehoorgang
De doorgang van oorschelp naar trommelvlies.
Mediaal
Meer naar de middenlijn van het lichaam gelegen.
Mediale en laterale meniscus
Twee structuren van vezelig kraakbeen tussen dijbeen en scheenbeen.
Medulla renalis — niermerg
Het inwendige gebied van de nier met onder meer nierpiramiden.
Medulla spinalis — ruggenmerg
Zenuwweefsel binnen het wervelkanaal; iets anders dan het bot van de wervelkolom.
Meetbereik
Het gebied waarin een meetmiddel volgens de specificatie gebruikt kan worden.
Membrana tympanica — trommelvlies
Het vlies op de grens van buitenoor en middenoor.
Meridiaan
Een traditionele indeling of route op een acupunctuurkaart; niet hetzelfde als een anatomisch bloedvat.
Milt — splen of lien
Een afweerorgaan linksboven in de buik dat onder meer bloed filtert.
Miniatuur
Een verkleinde weergave die ruimte bespaart; detailniveau moet afzonderlijk worden beoordeeld.
Mitochondrion
Een organel dat een belangrijke rol heeft bij het beschikbaar maken van chemische energie.
Modelhandleiding
Een toelichting die kan horen bij de onderdelen of nummering van een specifiek anatomisch model.
Molecuulmodel
Een ruimtelijke voorstelling van atomen en verbindingen volgens een gekozen modelconventie.
Mond- en neusholte
De twee toegangen tot het bovenste deel van de luchtweg; niet iedere trainer ondersteunt beide routes.
Moulage
Een los wondbeeld voor demonstratie of scenario-onderwijs, met productspecifieke bevestiging.
Musculus biceps brachii
Een spier aan de voorzijde van de bovenarm.
Musculus deltoideus
De oppervlakkige spier die de ronde schoudercontour vormt.
Musculus quadriceps femoris
De vierhoofdige spiergroep aan de voorzijde van het bovenbeen.
Mycelium
Het netwerk van schimmeldraden; alleen sommige modellen maken dit onderdeel zichtbaar.
Navelstreng
De verbinding tussen foetus en placenta; aanwezigheid en eventuele oefenfunctie verschillen per set.
Nefron
Een microscopische functionele eenheid van de nier.
Nervus medianus
Een zenuw die door de carpale tunnel naar de hand loopt.
Nervus opticus — oogzenuw
De zenuwverbinding tussen netvlies en hersenen.
Nervus ulnaris — ellepijpzenuw
Een zenuw die aan de binnenzijde achter de elleboog langsloopt.
Neurocranium — hersenschedel
Het gedeelte van de schedel rondom de hersenen.
Nomenclatuur
De afgesproken benaming van punten en andere onderdelen binnen een gebruikte referentie.
Normaal aanzicht
Een gekozen voorstelling van de gebruikelijke bouw, met ruimte voor individuele variatie.
Nucleus — celkern
Het celonderdeel dat het grootste deel van het DNA bevat.
Oesophagus — slokdarm
De verbinding tussen keelgebied en maag.
Olecranon — elleboogpunt
Het naar achteren uitstekende bovenste deel van de ellepijp.
Onderhuids weefsel
De laag onder de huid die bij sommige trainers afzonderlijk is nagebootst.
Onderwijsvoorbeeld
Een geselecteerd voorbeeld om iets te verduidelijken; geen persoonlijke diagnose.
Ontwikkelingsreeks
Een serie vormen die bepaalde groeifasen naast elkaar laat zien.
Opbouwpuzzel
Een product dat uit passende delen wordt samengesteld; de anatomische volledigheid verschilt per uitvoering.
Oppervlakteanatomie
Herkenningspunten aan de buitenzijde van het lichaam die kunnen worden gebruikt voor oriëntatie.
Opvangmateriaal
Materiaal voor demonstratie of oefening rond de stoma; aanwezigheid en geschiktheid moeten afzonderlijk worden gecontroleerd.
Orbita — oogkas
De benige ruimte waarin het oog en omliggende structuren liggen.
Orgaanmodel
Een weergave van een specifiek orgaan, soms met een doorsnede of uitneembare delen.
Orgaanstelsel
Een samenhangende groep organen en structuren met verwante functies.
Origo en insertio
Namen voor de aanhechtingsplaatsen van een spier; de gebruikte indeling staat in de anatomische beschrijving.
Os sacrum — heiligbeen
Het samengestelde bot onder de lendenwervels dat deel uitmaakt van de bekkenring.
Os scaphoideum — scheepvormig been
Een handwortelbot aan de duimzijde van de pols.
Ossa carpi — handwortelbeentjes
De kleine botten tussen onderarm en middenhand.
Ossa metacarpi — middenhandsbeenderen
De langwerpige botten tussen handwortel en vingers.
Ossa metatarsi — middenvoetsbeenderen
De langwerpige botten tussen voetwortel en tenen.
Ossa tarsi — voetwortelbeenderen
De botgroep in achtervoet en middenste deel van de voet.
Ovarium — eierstok
Een van de gepaarde vrouwelijke geslachtsklieren.
Overzichtsposter
Een wandplaat die een groot lichaamsgebied of een volledig systeem op één vel ordent.
Palpatie
Onderzoeken door te voelen; een daarvoor bedoelde trainer kan bepaalde tastbare voorbeelden bevatten.
Pancreas — alvleesklier
Een orgaan achter de maag dat onder meer verteringssappen aan de darm afgeeft.
Parodontaal ligament
De bindweefselverbinding tussen tandwortel en de benige tandkas.
Passe-partout
Een rand in een lijst die de afbeelding omlijst. Zij kan de vereiste buitenmaat van de lijst vergroten.
Patella — knieschijf
Bot in het strekapparaat aan de voorzijde van de knie.
Pathologie
Ziekteleer of een afgebeeld ziektebeeld. Een schematisch voorbeeld is geen individuele diagnose.
Pathologiemodel
Een onderwijsvoorbeeld van een beschreven afwijking of aandoening.
Pathologische replica
Een onderwijsmodel van een specifiek beschreven afwijking of aandoening.
Pelvis — bekken
De benige ring tussen romp en benen.
Pelvis renalis — nierbekken
De verzamelruimte die urine naar de urineleider voert.
Perifere zenuw
Een bundel zenuwvezels buiten hersenen en ruggenmerg.
Phalanges — teenkootjes
De afzonderlijke botten van de tenen.
Phalanges — vingerkootjes
De botten waaruit de vingers en duim zijn opgebouwd.
Placenta
Het orgaan voor uitwisseling tussen moeder en ongeboren kind; niet ieder model bevat een afzonderlijke placenta.
Placenta — moederkoek
Het orgaan waar onder meer uitwisseling tussen moederlijke en foetale circulatie plaatsvindt.
Plantencel
Een bouwsteen van een plant; een celmodel toont een geselecteerde, vaak vergrote weergave van onderdelen.
Pleura — borstvlies en longvlies
De twee pleurabladen langs borstwand en longoppervlak.
Procesdiagram
Een schema dat relaties of stappen ordent; lees de pijlen en symbolen volgens de legenda.
Processus spinosus — doornuitsteeksel
Het naar achteren uitstekende deel van een wervel.
Proefopstelling
Een combinatie van onderdelen voor een beschreven experiment; niet ieder onderdeel hoeft meegeleverd te worden.
Pronatie en supinatie
Draaiingen van de onderarm waarbij de positie van de handpalm verandert.
Prostata — prostaat
Een klier onder de blaas rond een deel van de mannelijke plasbuis.
Proximaal
Dichter bij de romp of bij het begin van een beschreven structuur.
Pulpa dentis — tandpulpa
Het zachte inwendige weefsel met onder meer bloedvaten en zenuwen.
Puntcode
De combinatie van letters en cijfers waarmee een referentiesysteem een punt aanduidt.
Pupil
De opening in de iris waardoor licht het oog binnenkomt.
Radius — spaakbeen
Het onderarmbot aan de duimzijde, met een ronde kop bij de elleboog.
Radix dentis — tandwortel
Het tandgedeelte dat in de kaak verankerd ligt.
Rectum — endeldarm
Het laatste deel van de dikke darm binnen de bekkenregio.
Regionale poster
Een wandplaat over een afgebakend lichaamsgebied, zoals hand en pols of voet en enkel.
Ren — nier
Het orgaan waarin urine wordt gevormd.
Replica
Een nagemaakte weergave van een geselecteerd voorbeeld; de bron en uitvoering bepalen wat zichtbaar is.
Retina — netvlies
De lichtgevoelige bekleding aan de binnenzijde van een groot deel van de oogbol.
Retinaculum flexorum
Een stevige bindweefselband over de handpalmzijde van de pols; vormt het dak van de carpale tunnel.
Romp
Het centrale lichaamsdeel waarin afhankelijk van de uitvoering demonstratie- of trainingsmodules kunnen zitten.
Rotatie
Draaibeweging rond een as.
Rotatorenmanchet
De supraspinatus, infraspinatus, teres minor en subscapularis met hun pezen.
Sagittale doorsnede
Een doorsnede die links en rechts van elkaar onderscheidt. Bekijk steeds de getekende kijkrichting.
Scan- of preparaatgegevens
Gegevens die bij bepaalde series als uitgangspunt voor het driedimensionale model dienen.
Scapula — schouderblad
Het platte bot aan de achterzijde van de schoudergordel.
Schaal
De verhouding van modelgrootte tot de afgebeelde werkelijkheid; een vergroting is geen ware grootte.
Schaalmodel
Een weergave die de werkelijkheid vergroot of verkleint en daardoor uitleg over verhoudingen vraagt.
Schildklier
Een klier in de hals die onder meer hormonen voor de stofwisseling maakt.
Sclera — harde oogrok
De stevige buitenste laag die over een groot deel van de oogbol loopt.
Septum — harttussenschot
Het weefsel dat de rechter- en linkerzijde van het hart van elkaar scheidt.
Setinhoud
Het aantal en de soorten onderdelen die voor de volledige set worden genoemd.
Skelet
Het benige raamwerk van een bepaalde diersoort, volledig of gedeeltelijk weergegeven.
Slokdarm of oesofagus
De voedselweg naar de maag; het onderscheid met de luchtpijp is belangrijk voor anatomisch begrip.
Spierbuik
Het dikkere, samentrekbare gedeelte van een spier.
Spierweefsel
Een nagebootste diepere weefsellaag voor uitvoeringen die hiervoor bedoeld zijn.
Stoma
Een operatief aangelegde opening naar buiten; een model toont steeds een bepaalde soort of combinatie.
Strottenhoofd of larynx
De structuur boven de luchtpijp met onder meer de stembanden; een model kan dit gebied vereenvoudigd of gedetailleerd weergeven.
Studiegids
Beknopt materiaal voor een omschreven onderwerp of leerdoel.
Subcutis — onderhuid
De laag onder de huid met onder meer vet- en bindweefsel.
Sutura — schedelnaad
Een verbinding tussen schedelbotten via bindweefsel.
Synoviale membraan
De binnenbekleding van het kapsel die samenhangt met de gewrichtsvloeistof.
Talgklier
Een klier die vaak bij een haarfollikel uitmondt.
Talus — sprongbeen
Voetwortelbot dat deel uitmaakt van het bovenste spronggewricht.
Tendo calcaneus — achillespees
De peesverbinding van een deel van de kuitspieren naar het hielbeen.
Tendo — pees
Stevig bindweefsel dat spierkracht naar een aanhechtingsplaats overbrengt.
Terugvertelvraag
Een open vraag waarmee u iemand in eigen woorden laat uitleggen wat er is begrepen.
Testis — zaadbal
Een van de gepaarde mannelijke geslachtsklieren in het scrotum.
Thorax — borstkas
Het raamwerk van ribben, borstbeen en borstwervels.
Thymus — zwezerik
Een orgaan achter het borstbeen dat betrokken is bij de ontwikkeling van bepaalde afweercellen.
Tibia — scheenbeen
Het grote onderbeenbot dat onder het dijbeen ligt.
Topografie
De ligging van structuren ten opzichte van elkaar, bijvoorbeeld een pees naast een bot.
Torso
De romp van het lichaam; bij een model bepaalt de uitvoering welke aangrenzende gebieden en organen zijn opgenomen.
Trachea — luchtpijp
De luchtweg die zich splitst naar beide longen.
Trainings-AED
Een afzonderlijk oefentoestel voor lessituaties; controleer de combinatie met pop en oefenelektroden.
Trainingsmodule
Een verwisselbaar onderdeel voor een omschreven scenario of vaardigheid.
Trainingsopening
Een voor een specifieke oefentaak ontworpen aansluiting of opening; de aanwezigheid is geen algemene gebruikstoestemming.
Transversale doorsnede
Een dwarsdoorsnede. Zij laat een ander aanzicht zien dan een afbeelding van buitenaf.
Trochanter major
Het grote uitsteeksel aan de buitenzijde van het bovenste dijbeen.
Tuba auditiva — buis van Eustachius
De verbinding van het middenoor met de neus-keelholte.
Ulna — ellepijp
Het onderarmbot dat bij de elleboog een duidelijke scharnierverbinding vormt.
Ureter — urineleider
De buis tussen nier en urineblaas.
Urethra — plasbuis
De afvoerbuis vanuit de blaas naar buiten.
Urineblaas
Het orgaan waarin urine wordt verzameld; de weergave en eventuele oefenfunctie verschillen per trainer.
Urinebuis of urethra
De verbinding van de blaas naar buiten; anatomie en module moeten bij het lesdoel passen.
Uterus — baarmoeder
Een orgaan van het vrouwelijke voortplantingsstelsel tussen blaas en endeldarm.
Variatie
Een verschil tussen individuele voorbeelden; één replica vertegenwoordigt niet iedere anatomische mogelijkheid.
Ventral
Aan de voorzijde van het lichaam. In een uitleg kunt u eerst voorzijde zeggen en daarna de vakterm noemen.
Ventriculus — hartkamer
Een van de twee ruimtes die bloed uit het hart pompen.
Verbruiksdeel
Materiaal dat bij normaal, toegestaan oefengebruik moet worden aangevuld of vervangen.
Vergelijkende anatomie
Het naast elkaar bestuderen van bouwkenmerken bij verschillende soorten.
Vergelijkingsdisplay
Een presentatie met meerdere voorbeelden; de verschillen moeten expliciet worden uitgelegd.
Vervangbare huid of insert
Een los onderdeel dat na slijtage kan worden vernieuwd wanneer de fabrikant dit ondersteunt.
Vervangingsdeel
Een onderdeel dat een bestaand deel vernieuwt zonder dat daardoor het volledige systeem wordt geleverd.
Vervangingsset
Passende verbruiks- of slijtagedelen die onderhoud en opeenvolgende lessen mogelijk maken.
Verwisselbaar voorbeeld
Een module waarmee een ondersteunde oefencasus kan worden veranderd.
Verwisselbare module
Een onderdeel waarmee een ondersteunde uitvoering of oefensituatie kan worden veranderd.
Vesica biliaris — galblaas
Het orgaan dat gal opslaat en geconcentreerd kan afgeven.
Vesica urinaria — urineblaas
Het orgaan waarin urine tijdelijk wordt opgeslagen.
Viscerocranium — aangezichtsschedel
De botten die de benige basis van het aangezicht vormen.
Voorlichtingsposter
Een overzicht met afbeeldingen en tekst waarmee een onderwerp kan worden toegelicht.
Voorste en achterste kruisband
Twee kruisende banden in het centrale gedeelte van de knie.
Vruchtlichaam
De zichtbare structuur die bij veel paddenstoelen sporen vormt.
Wondbodem
Het zichtbare binnengebied van een weergegeven wond; uiterlijk en materiaal verschillen per model.
Wondrand
De overgang tussen de nagebootste wond en de omliggende huid.
Zweetklier
Een klier in de huid die zweet produceert.